Om er voor te zorgen dat de beschikbare middelen op een effectieve wijze in worden gezet, hebben wij als collectief per leefgebied ‘kerngebieden’ geselecteerd. Binnen deze kerngebieden, die zijn geselecteerd op basis van het voorkomen van de doelsoorten en potenties, hebben beheerovereenkomsten voorrang ten opzichte van andere gebieden. Onderstaande richtlijnen worden hierbij gehanteerd.

Leefgebied open grasland
  •  Minimaal 1 hectare plasdras;
  •  Minimaal 20 hectare kuikenland per 100 hectare en 1,4 hectare kuikenland per gruttopaar;
  •  Een verhouding tussen uitgestelde maaidatum en beweiding van 4:1;
  •  Maatwerk door het toepassen van lastminutebeheer in de vorm van kuikenvelden;
  •  Uitrijden van vaste mest op zoveel mogelijk percelen;
  •  Een zoveel mogelijk op elkaar aansluitende mozaïek (in samenhang met eventueel aanwezig reservaatbeheer);
  •  Zoveel mogelijk percelen met legselbeheer, waarbij een vergoeding wordt gegeven voor bij het maaien gespaarde nesten.

Buiten de kerngebieden liggen ook mogelijkheden voor het afsluiten voor beheer, maar hier wordt vooral ingezet op maatwerk tijdens het seizoen. Dit gebeurt door het afsluiten van lastminute beheer op percelen met veel nesten of kuikens.

Leefgebied droge dooradering

Binnen de droge dooradering geeft het Collectief de hoogste prioriteit aan het afsluiten van beheerovereenkomsten die bijdragen aan het versterken van het leefgebied van de Knoflookpad, Kamsalamander en Steenuil. Daarnaast wordt inzet op het versterken van de kwaliteit van landschapselementen in enkele gebieden waarvan wordt verwacht dat daar veel overige doelsoorten van zullen profiteren. De beheerpakketten die het collectief openstelt zijn afgestemd op de doelsoorten, dit verschilt dus per gebied.

De eind 2015 opgestelde strategie is hier te vinden, deze zal jaarlijks tegen het licht worden gehouden en waar nodig worden aangepast.